Cultuur

De cultuur is dood, leve de cultuur
Door cultureel attaché en antropologisch cultuurfilosoof Driekus Vierkant

Cultuur. Het is alles wat de mens doet. Gewoonten, gebruiken, onze omgeving manipuleren. Ambacht. Literatuur. Kunst. Cultuur is het tegenovergestelde van natuur.

Alles in Nederland is cultuur. God created the world, the Dutch created the Netherlands. Ook onze tot op de vierkante centimeter geplande en onderhouden natuur is cultuur. Want man-controlled. Geen mens, geen cultuur. Wel mens, wel cultuur. Er kan geen cultuur zijn zonder mensen. Er is dus altijd cultuur.

Cultuur kan praktisch zijn. Of onderhoudend. Diepzinnig of shockerend. Cultuur is smaak. Cultuur is wansmaak. Een oksel-schetenwedstrijd is evenzoveel cultuur als een voorstelling van het NNO. Cultuur is professie als je er je geld mee kan verdienen. Cultuur is hobby als je er je geld niet mee kan verdienen. Cultuur is identiteit. Cultuur is divers. Cultuur is alles wat wij zijn.

In Nederland kennen we zoiets opmerkelijks als ‘de culturele sector’. Wat een rare term is want elke doorsnede die je maakt bij menselijk handelen is cultuur. Een culturele sector is onnodig om cultuur in stand te houden of te bevorderen. Want cultuur hoeft niet in stand te worden gehouden of bevorderd. Het is er gewoon. Als mensen een culturele uiting niet meer interessant genoeg vinden om te bedrijven of te consumeren, dan verdwijnt deze en komt er vanzelf nieuwe cultuur. Is dat erg? Nee het is alleen anders. De cultuur is dood, leve de cultuur. In feite is cultuur net als natuur: het kan alleen echt bestaan en echt ontwikkelen als je het zijn gang laat gaan. Blijf er vanaf.

Helaas is het zo dat de culturele sector de cultuur krampachtig probeert te manipuleren. Cultuur die eigenlijk had moeten uitsterven wordt met zware subsidies in leven gehouden. Nieuwe cultuur die nooit levensvatbaar kan worden, wordt ook kunstmatig in al haar misere in gehouden met subsidies. Blijkbaar hebben de liefhebbers er zelf geen eigen geld voor over om hun favoriete cultuur voort te laten bestaan. Dan ben je dus ook geen echte liefhebber.

Gesubsidieerde cultuur kent vele nadelen. Ten eerste impliceert subsidie direct dat je elders in de maatschappij geld onttrekt aan mensen die dit geld aan hun eigen cultuur hadden kunnen besteden. Je ontneemt een ander de kans om te genieten van zijn cultuur, ten faveure van je eigen zwakke -immers met subsidie in leven gehouden- cultuur. Wat een loser ben je dan. Dat je je hobby laat financieren door een ander zijn hobby niet te gunnen. Met je losercultuur.

Ten tweede houdt subsidie in dat ambtenaren voor je gaan bepalen wat wel en geen goede cultuur is. Er bestaat geen goede of slechte cultuur. De overheid die voor je bepaalt wat goed voor je is. Historisch gezien geen vrolijke toekomst. Het riekt bovendien naar manipulatie van je wereldbeeld via cultuur. Wat politieke partijen zeker niet zullen nalaten. Zogenaamd het volk verheffen middels subsidiecultuur maar eigenlijk je stemvee betuttelen en manipuleren met je dogma’s. Het is zo DDR.

Ten derde bevordert subsidie middelmatigheid en valse concurrentie in cultuur. Echte talenten wordt geld afhandig gemaakt en datzelfde geld wordt aan middelmatige cultuur en culturele opleidingen uitgegeven waardoor de talenten dus dubbel vals beconcurreerd worden.

Ten vierde maakt gesubsidieerde cultuur mensen hautain. Men weigert cultuur te genieten in een -in hun ogen banale- populaire gelegenheid die de eigen broek ophoudt. Nee men geniet liever van een moeilijke film in een filmhuis, maar dan moet de gemeenschap wel de extra kosten voor het in stand houden van datzelfde filmhuis financieren. De arrogantie. Je graag willen associëren met dansgroepen en orkesten, omdat andere prominenten er ook heen gaan. Hoe sneu is je leven dan.

Last but not least: cultuursubsidie corrumpeert. Heb je veel ambitie maar heb je weinig capaciteiten? Subsidies in de culturele sector pamperen je. Lekker hobbyen op kosten van de maatschappij. Je alcoholisme financieren op kosten van de maatschappij. Personeel gevangen houden in de culturele sector, medewerkers hun persoonlijke groei in de weg zitten, want once in the cultural sector, you will never get out. Geen kans op carriere en de private sector wil je niet als je arbeidsethos na een jaartje werken in de culturele sector volledig verpest is.

Als we vandaag stoppen met het subsidiëren van cultuur zal er niet minder cultuur zijn. Hooguit anders. Maar wel stukken eerlijker.

Omdat de bias te lang en te zwaar is doorgeslagen pleit Driekus voor een tijdelijke compensatieregeling. Waarbij gesubsidieerde cultuur zwaar belast wordt om de huidige zwaar belaste cultuur een tijdje te subsidiëren. Compensatie!

Om te beginnen worden alle subsidies op musea, theaters, dans, poppodia en schouwburgen opgeheven en vervangen door een 165% cultuuraccijns. Met de opbrengsten worden culturele vormen die momenteel zwaar belast worden ontheven van accijnzen en BTW, en krijgen cultuurtoeslag. Te denken valt aan trekker-trek, grasmaairaces, autoraces en motorraces. Waarbij de aanschaf van de wagens en motoren, maar ook de brandstof zwaar gesubsidieerd worden. Want deze vorm van cultuur hoort toegankelijk te zijn voor iedereen.

Vindt u dit voorbeeld belachelijk? Ziet u de spiegel en roept u LELIJK?!

Dat dus. Stop alle subsidies. BEVRIJD CULTUUR!

Polderprivatiseren

Polderprivatiseren
door neo-neo-sociaal-neo-neo-liberaal Driekus Vierkant

Weet u nog. De jaren ’70 en ’80. Toen de PTT nog staatseigendom was, en je drie maanden kon wachten op een nieuw staatstoestel model T65. Toen je alleen maar naar de publieke omroep kon kijken die de sociaaldemocratische agenda je hersens instraalde via de kathodestraalbuis. Toen je maanden op wachtlijsten stond in staatsziekenhuizen.

Eén en al bureaucratie. Slechte service. Want geen concurrentie. Geen prikkel om de service te verbeteren, geen reden om op de kosten te letten. Diensten werden onbetaalbaar voor de overheid. Dat moest anders.

Liberalisering! Door zich als overheid terug te trekken konden de belastingen omlaag, zouden dienstverleners zich kunnen ontpoppen als concurrerende bedrijven die de klant centraal stellen, die zouden innoveren, kosten omlaag drijven en kwaliteit zouden gaan leveren en efficient zouden gaan werken.

Tot dusver klinkt dat fantastisch. En het kan ook. Neem een willekeurige gezonde bedrijfstak met voldoende aanbieders en de ondernemers en hun personeel knokken om de klant tevreden te stellen. Moet ook wel, anders gaat de concurrent ermee vandoor. Je moet blijven rennen, op de kosten letten, en luisteren naar de klant. En soms jezelf opnieuw uitvinden.

Maar ja. Leer ons de Nederlandse overheid kennen. PvdA. VVD. D66. En de rest ook. Allemaal. Polderlandschap pur sang. Iedereen wil er een plasje over doen. Links, rechts, midden, vakbonden. Compromis op compromis. Nee, het strontverwende personeel kan natuurlijk niet zonder die lekkere overheids-CAO. Nee we kunnen natuurlijk niet toestaan dat er andere aandeelhouders dan de overheid komen. We gaan concurrentie natuurlijk niet meteen maar geleidelijk toestaan. Ja natuurlijk zal de overheid garant staan voor geldstromen en investeringen. Welnee, een strenge onafhankelijke toezichthouder is niet nodig, we kennen nog wel vriendjes die in de RvB en RvT kunnen gaan zitten. Want wat kan er misgaan?

Ambtenaren bedrijfje laten spelen. Geen goed plan. In het bedrijfsleven zijn belangen van werknemers en aandeelhouders volledig afhankelijk van het belang van de klant. Pakt een strategie niet goed uit, dan worden de verliezen genomen en wordt de stekker eruit getrokken. Met het geld van de aandeelhouders ga je heel voorzichtig om, want maak je een enorme blunder, dan lig je eruit. Nee dan de cultuur bij ambtenaren, die gewend zijn om budgetten op te maken, niet extern maar intern te concurreren, een falend project gewoon door te zetten -want dat is het proces-. Geld van een ander uitgeven is nog nooit een probleem geweest.

Geprivatiseerde organisaties zijn draken geworden met het slechtste van twee werelden, in plaats van het beste. De top verrijkt zich schandalig, want men waant zich ondernemer. Maar dan zonder de risico’s die bij ondernemen horen. Men denkt dat efficiency inhoudt dat je domweg in (kwaliteit van) dienstverlening saneert. Organisaties zijn een slangenkuil geworden waarin medewerkers zich over de rug van anderen omhoog proberen te werken. Elke faal werd netjes onder de bestuurlijke mat geschoven, immers de vrienden uit de politiek die je kent vanuit het gepolder tussen directies, besturen en toezichthouders helpen elkaar. Je weet immers nooit wie je nodig hebt voor je volgende baantje.

Zogenaamd geprivatiseerde markten zijn nog steeds zwaar gereguleerd. En belast. Na twintig jaar polderprivatiseren kunnen we de rekening opmaken. Vrijwel dagelijks horen we van misstanden bij halfbakken geprivatiseerde instellingen. Incompetente bestuurders die op zeer discutabele wijze tonnen, zelfs miljoenen achterover drukken. Geprivatiseerde culturele instellingen die telkens het handje ophouden omdat gemeenten, provincies en het Rijk toch wel weer bijlappen. Ze snappen niet dat als er geen marktvraag is, een geprivatiseerde instelling niet levensvatbaar is. En je met subsidiëring dus geld uit de economie onttrekt: geld dat wel besteed had kunnen worden aan levensvatbare bedrijven. Organisaties die totaal stuurloos zijn geworden en de burger telkens dwars zitten met bizarre Kafkaëske bureaucratie. Klokkenluiders worden (mond)dood gemaakt. Falende bestuurders die wachtgeld incasseren en vervolgens weer bij de volgende nepprivate instantie aan de bak mogen. Overheden die stupide contracten sloten met verzelfstandigde organisaties waardoor wij belastingbetalers telkens weer mogen opdraaien voor verliezen, derivatenellende, vastgoed-ellende, reorganisaties, mislukte ICT-projecten enzovoorts. De belastingen rijzen de pan uit, de kwaliteit van dienstverlening holt achteruit, er is geen marktwerking, er is geen concurrentie. Dit is geen liberalisme. Dit is parasitisme.

Wat te doen? Laten we beginnen met bestuurders en toezichthouders persoonlijk verantwoordelijk te maken. Persoonlijk aansprakelijk stellen. Ze niet meer weg laten komen met smoesjes en wachtgeld. De schade uit eigen zak laten betalen. Pak ze hun bij elkaar gegraaide (buiten)huizen af. En brand ze publiekelijk af. De digitale schandpaal voor deze maatschappij-ondermijnende uitvreters.

Maar dan? Kiezen we voor teruggaan naar het socialistische model dat alles terug naar de staat moet? Of gaan we werkelijk liberaliseren? De huidige situatie is in elk geval onhoudbaar. Neo-liberalisme heeft totaal gefaald. Maar terug naar de bureaucratische overheidsellende? Nee bedankt. Dat riekt teveel naar communisme.

Er is een alternatief dat meer in de lijn van deze tijd ligt. We hebben uiteraard nog steeds behoefte aan zorg, infrastructuur, onderwijs en tal van andere diensten. De vraag is alleen hoe je dat organiseert. Het antwoord ligt in het Internet-tijdperk: Social Economy. Een tijdperk waarin we zoveel tools tot onze beschikking hebben dat wij onszelf kunnen organiseren en communiceren: collectieven vormen zonder de last van bureaucratische, incompetente, geldverslindende organisatievormen zoals woningbouwverenigingen, zorgverzekeraars en tal van andere instanties en vormen van overheden. Ze zijn achterhaald. WE MAKEN ZE OVERBODIG.

Social Economy is meer dan een hippe term. Het is een nieuwe manier van organiseren die efficiënter en goedkoper is. Coöperatieve modellen zonder de geur van maakbaarheid. Meer transparantie, meer eigenverantwoordelijkheid, meer marktwerking. Het kan. Nu. En het gaat onze wereld veranderen. Kijk maar eens wat het Internet al heeft gedaan voor uitgeverijen, nieuws, muziek, DVD en TV. De volgende zijn energie en overheid, zelfs geld. Je eigen energie opwekken. Met elkaar delen. Met elkaar afrekenen. Buiten energiemaatschappijen om. Buiten de overheid om. Buiten de Euro om. Het kan binnen 10 jaar. Moet je eens zien wat dit betekent voor de staatskas qua energieheffingen en accijnzen. Coöperatief verzekeren en financieren. Het kan. Internetgeld is volstrekt ongrijpbaar voor de overheid en de belastingdienst. Zij hebben ons geld nodig. Wij hen niet meer. Social Economy is collectief waar het moet en liberaal waar het kan. Zonder overhead overheid. De revolutie komt van het Internet.

 

Zwarte Pieten

Zwarte Pieten
door historisch religieus filosoof Driekus Vierkant

Het tolerante Nederlandje. Een multiculturele melting pot waar alles kan en alles mag. Waar wij ruimdenkend staan tegenover afwijkende meningen, religies en seksualiteit. Waar we liberaal denken over drugs, abortus en euthanasie. Waar vrijheid van meningsuiting moet.

We zijn graag het gidsland voor de wereld waar we graag met het vingertje naar wijzen als men er in onze ogen inferieure normen en waarden op na houdt. Het moreel superieure Nederlandje dat op de rest van de wereld neerkijkt. Want hoe tolerant wij denken dat we zijn, we zijn het absoluut niet als iets niet in ons ideaalplaatje van de wereld past. En dat is op zichzelf al een interessante tegenstelling.

In feite zijn we helemaal niet tolerant.  We zijn domweg arrogant, egoïstisch en eigenwijs. We willen bovenal ons ding doen en dat je je vooral niet met ons bemoeit. In ruil voor die vrijheid laten we jou ook met rust. Met je waanzinnige religie. Met je gekke seks. Met je rare kleren. Met je idiote eten. En je stomme normen en waarden. Je doet maar. Maar laat mij net zo gek zijn. Of nog gekker. En dat is vrijheid. Het is geen respect voor hoe een ander zijn leven inricht, maar het is respect voor elkaars vrijheid anders te zijn, elkaar net voldoende licht in de ogen gunnen, hoe stom we dat licht ook vinden. Over verlichting gesproken.

Dit heeft te maken met waar we vandaan komen. Handelsgeest. Die is belangrijker dan je religieuze afwijking. Samenwerken ondanks wat jij in je huis of kerk doet. Katholiek, Hervormd, Protestants, Joods of Sinterklaas: het interesseert ons niet waar je in gelooft. Je doet maar. En laat mij maar. Deze houding maakt een samenleving net dat beetje leefbaar. Laat ze in [vul willekeurig land in] elkaar maar de kop inhakken, intussen komen wij net dat stapje verder in de wereld. Wij wel. Toch weer superieur.

Maar ja. Er hoeft maar één idioot te zijn die werkelijk in het fabeltje van tolerantie gelooft. Die zich niet aan de ongeschreven regels houdt. Die zich openlijk begint te bemoeien met de vrijheid van een ander. Die het gapende gat tussen de intentie tot beledigen en zich beledigd voelen niet snapt of niet wil snappen. Die niet begrijpt of niet wil begrijpen dat het afpakken van de vrijheid van een ander direct impliceert dat hij aan de stoelpoten van zijn eigen vrijheden zaagt.

Die hoort dus niet in dit Nederlandje. En zij die hem steunen ook niet. Geen tolerantie voor de intoleranten.

Oké

De herkomst van het woord ‘oké’
Door taalkundig historicus Driekus Vierkant

De herkomst van oké  begint 405 jaar geleden met Henry Hudson die op het Nederlandse VOC-schip ‘Halve Maen’ voorbij Manhattan de gelijknamige Hudson rivier op voer. Spelende Mohikaanse indianenkinderen stonden bij een bocht in de rivier stomverbaasd naar die grote boot te kijken. Hudson noemde dit gebied Kinderhoeck.

De Hollanders startten hier -net als op het puntje van Manhattan- een handelskolonie, voornamelijk in beverhuiden, later ook in fruit en gewassen. Mohikanen vertrokken door ruzie met andere Indianen, ondanks pogingen van de kolonisten tot het afdwingen van stabiliteit, want vrede was beter voor de (pels)handel. Zo was de Hollandse handelsgeest. De naam van deze nederzetting was Kinderhoeck.

(Oude) Kinderhoeck werd een van de belangrijkste handelsposten met Indianen en Europa. De situatie was in die tijd vrij stabiel in Nederland. In tegenstelling tot Engelsen hadden Nederlanders geen primaire behoefte aan koloniseren: het ging de WIC Heren XIX (waar Groningen overigens ook een zetel in had) puur om maximale winst uit de handel.

Door de explosieve toename van Engelse kolonisten viel Old Kinderhook, net als alle andere activiteiten in de regio uiteindelijk in Engelse handen, overigens alles in redelijk goed overleg. Ondanks pogingen van Fransen en Indianen om het gebied te controleren bleef het formeel Engels, maar taal en cultuur bleven er nog honderden jaren Nederlands. Het had overigens weinig gescheeld (één stem) of Nederlands was de voertaal in de Verenigde Staten van Amerika United States of America geweest.

Kratten met producten zoals appels die vanuit Old Kinderhook werden verhandeld (ondermeer naar Nieuw Amsterdam New York) voerden het stempel met de afkorting O.K. Al snel werd in de volksmond gerefereerd aan O.K. apples en O.K. beaver skin, als een heuse kwaliteitsaanduiding voor zowel de waar als de betrouwbare Nederlandse handelaren.

De 8e Amerikaanse president, -de eerste president officieel als Amerikaan geboren- de Nederlands sprekende Martin van Buren kwam uit Kinderhook. ‘Old Kinderhook’ was zijn bijnaam. ‘OK‘ was zelfs zijn campagne-slogan en hierdoor verspreidde de betekenis in de V.S. en ook ver over de grenzen. O.K. (oké, ok, okay) is wereldwijd een van de meest verspreide termen geworden: vrijwel overal kent men de betekenis. Pas wel op met de duim omhoog als bijgaand gebaar: het wordt in sommige werelddelen anders opgevat.

VanBuren was één van de grondleggers van de Democratische partij in de VS USA. Ondanks dat hij tegen de slavernij stemde hield hij zelf slaven, was hij verantwoordelijk voor deportatie van veel Indianen en deed niets tegen het uitmoorden van Mormonen omdat het stemmen zou kosten… Politici be zijn politici.